pompoen

Vruchtwisseling

Wie aan groententeelt doet kan niet jaar in - jaar uit op hetzelfde stuk grond een en dezelfde soort groente verbouwen.

Op een gegeven ogenblik wil het gewas niet goed meer groeien en doordat de planten zwak zijn krijg je allerlei ziektes en daardoor een sterk verminderde oogst.

Je kunt dit voorkomen door het gewas telkens op een andere plaats in de tuin te telen. Op de plaats waar het eerst heeft gestaan zet je dan iets anders neer.

Dit wisselen van plaats noemen we vruchtwisseling.

Je kunt dus niet als je bijvoorbeeld gek bent op bonen elk jaar je tuin er mee vol zetten. Ook al teel je het ene jaar snij- en het andere jaar slabonen of vind je dat je er peultjes op kapucijners neer moet zetten, de plantenfamilie (in dit geval vlinderbloemigen) blijft hetzelfde en dat is hier bepalend.

Nu zal het best wel eens goed gaan maar op den duur kom je onherroepelijk in de problemen. Je bent dus genoodzaakt om meerdere gewassen te telen.

Hierbij kun je niet zomaar willekeurig te werk gaan maar moet je ook rekening houden met het feit dat niet alle gewassen elkaar zo maar op kunnen volgen.


Waarom vruchtwisseling zo belangrijk is

Vruchtwisseling is eigenlijk een vorm van ziektebestrijding.

Nu moet je niet denken dat je daar alle tuinproblemen mee kunt oplossen maar het legt de basis voor een gezonde plantengroei. Alle planten krijgen namelijk op den duur te maken met bodemmoeheid.

Bodemmoeheid wordt veroorzaakt doordat bij de plant in de bodem micro-organismen (aaltjes en bodemschimmels) tot ontwikkeling komen die een gezonde groei onmogelijk maken.
Deze zijn plantspecifiek, d.w.z. bij elke plant hoort weer een ander type aaltje of schimmel.

Door vruchtwisseling toe te passen zet je deze organismen, die na de oogst in de bodem blijven voortleven telkens een ander menu voor waardoor deze zich niet verder kunnen ontwikkelen.

Bij aardappels bijvoorbeeld is in verband met het optreden van het aardappelcysten aaltje wettelijk geregeld dat slechts eens in de drie jaar op hetzelfde stuk grond aardappels mogen worden geteeld.

Ook bij onze vereniging wordt daarom de plaats van de aardappels op diverse tuinen door de tuincoördinator bijgehouden en elk jaar kun je dit schema met daarop de plekken waar u dat jaar uw aardappels kunt poten terug vinden op het mededelingenbord.

Vruchtwisseling is niet alleen belangrijk voor jezelf, maar ook voor diegene die als je met tuinieren ophoudt de tuin overneemt. Je doet zo iemand een groot plezier door een goed bijgehouden vruchtwisseling schema te overhandigen.

Een goede vruchtwisseling is de basis voor elke gezonde moestuin!

Om problemen te voorkomen moeten je een aantal jaren wachten voordat het gewas op dezelfde plaats in de tuin terugkomt.

In een klassiek vruchtwisseling systeem gaat men ervan uit dat elk gewas pas na 4 jaar weer op de oude plek terecht komt. Dat betekent dus dat we de tuin moeten verdelen in vier stukken waarop afwisselend verschillende gewassen geteeld worden.


Gewasgroepen

Om het eenvoudig en overzichtelijk te houden zijn in de vruchtwisseling de groenten onderverdeeld in een aantal groepen (bron: zaadgids “de Bolster” 2018)

De groenten, verdeeld over deze 6 groepen:

Aardappelen vroege, middelvroege en late soorten
Koolgewassen Rode-, witte- en groene kool
Broccoli
Spruitkool, boerenkool
Chinese kool, koolrabi
Bladgewassen Sla, andijvie
Paksoi
Prei
Raapsteel
Rucola
Snijbiet
Spinazie
Veldsla
Knolgewassen Bietjes
Knolselderie
Koolraap, meiraap
Pastinaak
Radijs
Schorseneer
Ui
Wortels
Vruchtgewassen Maïs
Aubergine
Courgette, pompoen
Paprika, peper
Tomaat
Peulgewassen Stokbonen en stambonen
Doperwten, peultjes, kapucijners
Tuinbonen

Hoofdteelt, voor-en nateelt

Vaak kun je voor of na een gewas nog een andere soort groente telen.

Dit gaat bv goed als je in het vroege voorjaar sla op het perceel van de peulvruchten teelt voordat je later in het jaar op het zelfde stuk bonen (de hoofdteelt dus) gaat zaaien.

In een ander geval, bij vroege aardappelen, die je al begin April gepoot hebt, kun je na de oogst (eind Juni -begin Juli ) bijvoorbeeld nog boerenkool planten.

In het eerste geval spreken we dan voorteelt en in het geval je b.v. boerenkool na de aardappels hebt geplant van nateelt.

Let bij lang groeiende gewassen ook op de vruchtwisselingsregels. Boerenkool en prei kunnen al gauw een klein half jaar op de tuin staan!

Bij sla, andijvie, raapsteeltjes, radijs en spinazie hoef je niet zo streng te zijn, deze groetensoorten hebben zo’n korte groeitijd dat je bij de vruchtopvolging wel een oogje dicht kunt knijpen.

Voor- en nateelten zijn vooral aantrekkelijk omdat ze een optimale benutting van de grond geven. Zo kun je als je het goed uitkient en als het weer meewerkt meer dan één keer van hetzelfde stuk grond oogsten.


Slechte opvolgingen zijn Reden
  • Alle groenten na zichzelf
  • Ui na prei, prei na ui
  • Erwt na boon, boon na erwt
  • Wortel na aardappel
  • Witlof na kool, andijvie, spinazie,
    sla, knolselderie, erwt
  • Boon na knolselderie
  • Aaltjes, schimmelziekten
  • schimmelziekten
  • schimmelziektes, aaltjes
  • wortelrot, aaltjes
  • sclerotinarot ,hoog stikstof-
    gehalte, aaltjes
  • schimmelziekten

Een paar vruchtwisselingsschema’s

Schema met 4 percelen

1e jaar 2e jaar etc.
peul Blad - kool -vrucht
Blad - kool -vrucht wortel
wortel aardappel
aardappel peul

Schema met 6 percelen

1e jaar 2e jaar etc.
peul Kool en blad
Kool en blad Aardbei eenjarig
Aardbei eenjarig Vrucht en blad
Vrucht en blad wortel
wortel aardappel
aardappel peul

Schema met 8 percelen

1e jaar 2e jaar etc.
peul Blad en kool
Blad en kool wortel
wortel aardappel
Aardappel peul
peul Blad en vrucht
Blad en vrucht wortel
wortel aardappel
aardappel peul

Telkens komen de verschillende soorten groenten op een andere plek in de tuin te staan.

(in bovenstaand verhaal is getracht om dit vooral beknopt te houden en is bedoeld voor de beginnende moestuinier. Er zijn verschillende systemen bedacht, waarvan er sommigen tamelijk ingewikkeld zijn. Raadpleeg daarvoor bv onderstaand boek)

Literatuur: Handboek ecologisch tuinieren, uitg Velt (Vereniging voor ecologische leef- en teeltwijze) ISBN 90-800626-4-2